Roger Raveelmuseum

“Het verschrikkelijke mooie leven” heet het drieluik met de gele kanaries dat Roger Raveel in 1965 schilderde. Het is een titel die boven zijn hele oeuvre zou kunnen staan.
 

 
Verschrikkelijk en mooi, maar ook verschrikkelijk mooi, en mooi in zijn verschrikkelijkheid. Zo ervaart hij het leven om zich heen. Het is een meedogenloze, ongenadige, soms vertederende maar meestal afstandelijk betrokken kijk op het bestaan en het bestaande, was van elke vervalsende idealisering en van een sublimeringsdrang die schijn voor werkelijkheid neemt.
Wie zoekt naar harmonie of naar eenheid komt bij Raveel bedrogen uit. Tenzij men met eenheid een geheel van onuitgesproken tegenstellingen bedoelt. Voor Raveel is er geen enkelvoudige waarheid, geen eenduidige samenhang. Verbrokkeling, vervreemding en verscheidenheid vormen de basis van zijn fenomenologische visie.
 
Hoe ontluisterend is de bijna schizofrene spanning tussen de natuur en de dingen, tussen de man en de betonmuur, tussen de schilder en de geometrie, tussen het abstracte en het concrete, tussen het schilderij en zijn omgeving.
Hoe verfrissend en nieuw wassen zijn beelden, zijn koloriet, zijn lijnvoering de clichés in onze ogen weg. Hoe indringend aanwezig schept hij een wereld in zijn onvergetelijk wit. Raveel heeft het de kijker nooit gemakkelijk gemaakt. Zijn kunst doet een beroep op een aangeboren plastisch gevoel en op een groot begrip voor de picturale taal. Hij is een voor deze tijd zeldzaam geworden rasschilder.
 
Hij voelt de prikkel van de schilderkunst in alles wat hij hoort en ruikt en ziet en betast. De schilderkunst bespeelt hem in al haar toonaarden. Zijn verfopbreng is naargelang de eisen van het thema smeuïg, mager, compact, atmosferisch, transparant, opaak, abrupt, ingehouden of eruptief. Daarbij komt nog dat hij de werkelijkheid zelf schilderkundig aantasten wil. Hij heeft in dit opzicht altijd een weerbarstige verhouding gehad met de architectuur.
Het is dan ook geen eenvoudige opgave voor een architect voor een dergelijk kunstenaar een museum te bouwen. Ruim tien jaar geleden heeft Stéphane Beel deze uitdaging aanvaard, op de drempel van zijn internationale carrière. Het resultaat mag gezien zijn: het Raveelmuseum is een soort credo van zijn architectuuropvatting geworden.
 
Zoals de schilderkunst van Raveel kijkt de architectuur van Beel onbevangen en intelligent naar het alledaagse en het triviale en laat ze in zich toe. Beels gebouw vereenzelvigt zich met de geest  van het dorp maar neemt er tevens afstand van, het opent zich en sluit zich af of trekt zich in zichzelf terug. Het lijkt een vreemd ding dat als een uit- en inspringende muur met hoogtes en laagtes van de ene straat naar de andere wandelt, volgens de regels die Beel in het ongeordende hortende ritme van tuintjes, kavels en rijenhuizen ontdekte. Zijn gebouw schrijft zich in binnen de lijnen van het dorp en doorbreekt ze: onopvallend opvallend, nederig monumentaal, ondoorgrondelijk helder, rijk in zijn schraalte. Het stoot het dorp niet af. Het velt geen oordeel. Het is er. Zomaar. Vanzelfsprekend. Zonder enige toegeving. Eigenzinnig. Het schept een labyrint van ruimtes. Gesloten en dan opnieuw naar licht happende volumes leiden de bezoeker naar altijd weer andere ervaringen en geven aan het gevarieerde oeuvre van Raveel de kans zijn veelheid van aspecten te tonen.
 
Als het schilderij een muur en een venster is, geldt dit tevens voor de architectuur. Muren en vensters. Ik denk hierbij aan de woorden van Pierre Bonnard: “Ce qu’il y a de mieux dans les musées, ce sont les fenêtres”. Vensters die zowel doorkijken als inkijken zijn.
Vensters die de geborgenheid van de muren beklemtonen. Vensters die de verbinding leggen tussen kunst en leven, die het leven naar binnen lokken en het opnemen in de leegtes en de spiegels van Raveels kunst.
 
 
Roland Jooris